klokje-gped

Home

St. Vaassen.Nu

Agenda Vaassen e.o.

Alle info Vaassen

Laatste Nieuws

Sport Nieuws

 

‘t Loar

Geschiedenis Vaassen

Verhalen van Freek

Foto’s en videofilms

Oude foto’s en films

Muziek uit Vaassen

Uw (creatieve) bijdrage

Evenement aanmelden

Contact

www.vaassen.nu alles over Vaassen, iedere dag nieuw!

Slippertje.
Op donderdagmorgen 3 juli 1952 vond er een ernstige botsing plaats tussen twee autobussen op de weg tussen Vaassen en Emst. De lijndienstbus van de Veluwse Auto Dienst VAD die als lijn 12 om 8 uur vanuit Apeldoorn vertrokken was richting Zwolle, haalde even voorbij “De Gelderse Tuin” een melkwagen in. Deze melkwagen was een paard met wagen, die geladen was met melkbussen afkomstig van de boerderijen uit de omgeving en bestemd was voor de melkfabriek Gelria in Zuuk. Toen de chauffeur ter B. dat voertuig wilde voorbij rijden, naderde uit de richting Emst een andere bus, die hij in de flauwe bocht van de weg pas vrij laat kon zien. Om zijn plaats achter de melkwagen weer in te nemen remde de bestuurder zijn vaart wat af. slippertje
Hierdoor raakte zijn bus in een slip en schoot schuin naar links en ramde de andere tegemoetkomende bus in de linker voorhoek. De VAD bus werd aan de voorzijde behoorlijk ingedeukt en drong diep in het voorgedeelte van zijn tegenligger die nog zwaarder beschadigd werd. De bestuurder van de tweede bus had zich tijdens het rijden net op tijd achter het stuur van zijn voertuig verwijderd en was in het gangpad van de bus gesprongen. Was hij achter het stuur blijven zitten, dan had hij het ongeluk zeker niet overleefd. Hij kwam er wonderwel met wat schrammen en builen vanaf. Van de bestuurderstoel, het stuur en het dashboard was alleen nog een hoop verwrongen ijzer over. De bestuurder was de heer H. Kuipers uit Scheemda en de vrij nieuwe bus behoorde aan de onderneming van zijn broer aldaar. De 33 passagiers waren van een buurtvereniging uit Oostwolde die een dagje op reis waren naar de Keizer Karel stad Nijmegen. Het ergste was de 77 jarige heer H. de Gries eraan toe. Hij had vlak achter de bestuurder gezeten en was zodanig in de verdrukking gekomen dat hem de beide benen boven de enkels waren gebroken. Enige andere inzittenden kwamen er met lichtere verwondingen nog betrekkelijk goed vanaf. Van de VAD bus was de chauffeur er het slechtst aan toe. Hij had een schouderfractuur, verwondingen aan het hoofd en waarschijnlijk een zware hersenschudding opgelopen. Zijn toestand was zorgwekkend. De 19 jarige mejuffrouw Hengeveld uit Vaassen had een gebroken been en de heer A. Diks uit Apeldoorn, een onderwijzer van de R.K. school uit Epe, had een kaak fractuur, een lichte hersenschudding en verwondingen aan het gezicht door rondvliegende glasscherven. Hij was na het ongeval enige tijd bewusteloos, maar gelukkig kwam hij later weer bij kennis. Door het enorme lawaai waarmee het ongeluk gepaard ging had de omgeving gelijk de diverse hulpinstanties gebeld met het dringende verzoek om zo spoedig mogelijk ter plaatse te komen. Het nummer 112 bestond nog niet. De Emster huisarts van Gelder, de wijkverpleegster zuster van Rossum, enige mensen van de EHBO, een huisarts uit Vaassen en de politie waren betrekkelijk snel ter plaatse. Ook een paar militairen, die toevallig langs de onheilsplek kwamen, verleenden nuttige hand en spandiensten. De brandweer was niet opgeroepen, omdat deze toen nog niet waren uitgerust met hulpverleningsapparatuur. Verschillende woningen in de buurt dienden als eerste opvang van de gewonden. De ernstig gewonde slachtoffers en de wat minder zware gewonden, samen een vijftien personen, werden per ziekenauto’s naar het Juliana ziekenhuis te Apeldoorn vervoerd. De overige leden van het Groninger gezelschap werden in café “De Nieuwe Kroon” tijdelijk ondergebracht om op verhaal te komen. De VAD stelde daarna een extra bus beschikbaar om de rest van het gezelschap naar Apeldoorn te brengen, waar zij zich bij het ziekenhuis op de hoogte konden stellen van de toestand van hun medereisgenoten. Hun uitstapje was abrupt afgebroken. Het onderzoek naar de oorzaak van het ongeval werd verder ter hand genomen door de toenmalige Rijksverkeerspolitie. De touringcar van Kuipers uit Scheemda was van het Engelse automerk Guy. De VAD bus was van het Engelse automerk Crossley. Een geluk bij een ongeluk, er waren achteraf bij deze crash geen doden te betreuren. De gevolgen hadden veel ernstiger geweest kunnen zijn. Een slippertje met toch nog een betrekkelijk goede afloop.
Terug

Het Postkantoor.
In het verleden was afbraak van oude gebouwen meer regel dan uitzondering. Er werd meer afgebroken dan noodzakelijk was. En niemand protesteerde.
In 1987 werd in Vaassen het oude postkantoor gesloopt om plaats te maken voor een nieuw kantoor. Men vond dat toen blijkbaar nodig dat al het oude verdwijnen moest.
Op 26 augustus 1987 lezen we letterlijk in de krant:  post1
 “Op dezelfde plaats verrijst het nieuwe postkantoor. Daarom ook  is er weinig reden om droevig gestemd te zijn over de activiteiten van de sloper”
De nieuwbouw die ervoor in de plaats kwam is altijd een afschuwelijk bouwsel geweest en een ontsiering van het dorpscentrum. Dat hiervoor ooit een bouwvergunning voor het uiterlijk is afgegeven blijft een groot raadsel. Welstand noemen ze dat met een mooi woord bij de gemeente. Iedereen kreeg daarna heimwee naar het oude postkantoor. Dit statige gebouw had nooit gesloopt mogen worden!  post2
Vanaf 1872 was er al een soort postagentschap voor brievenpost in Vaassen. Willem Vos en zijn vrouw Gerritje Vos – Schotpoort, afkomstig uit Loenen, werden toen aangesteld als zogenaamde “brievengaarders” van Vaassen. Ze woonden in een oud huis aan de Stationsstraat op de plaats waar nu het huis met nummer 46 staat. 
In 1909 werd het eerste volwaardige postkantoor met woning aan de Dorpsstraat geopend. Dit toch wel indrukwekkend nieuwe gebouw werd gerealiseerd door de plaatselijke aannemers G. de Bruin van de Stationsstraat en J. Schutte van de Jan Mulderstraat. Gerritje Wagenaar heeft het langst op het postkantoor gewoond en was tevens het langst kantoorhoudster vanaf 1910 tot 1949. Ook L. van Bergeijk is jarenlang de chef van het postkantoor geweest tot 1987. Hij was tevens de laatste bewoner van de dienstwoning in het oude kantoor. Bekende postbodes van het eerste uur waren onder andere Beekhuis, Kamphuis, Oortwijn en Siemelink. De eigenaar van het oude postkantoor was de PTT dat een Staatsbedrijf was. De letters PTT stonden voor Posterijen, Telegrafie en Telefonie. Een grote rode gietijzeren brievenbus, voorzien van twee gleuven voor respectievelijk brieven en drukwerk, hing aan de buitenkant in het midden van de voorgevel aan het pand. Tevens behartigde het postkantoor alle zaken voor de Rijkspostspaarbank en de Postcheque en Girodienst. Er bevond zich een zogenaamde openbare spreekcel in het Vaassense hulp telegraafkantoor en werd ook wel het “Rijkstelefoonkantoor” genoemd. Dat het postkantoor vroeger zijn tijd ver vooruit was lezen we in een krantenartikel uit 1937. Hierin staat geschreven:
“Aan het postkantoor zijn dezer dagen drie automaten, blauw met wit aangebracht. Deze dienen om, als het postkantoor gesloten is, postzegels van 1½, 5 en 6 cent te kunnen kopen. Men werpe de aangegeven geldwaarden in de gleuf en verkrijgt dan de postzegels die men wenst. De posterijen maken het voor het publiek wel erg gemakkelijk!”
De posterijen zijn nu bij TNT post ondergebracht.  De telegrafie en telefonie is nu KPN telecom geworden. De spaarbank en de postgiro zijn opgegaan in de ING. Het postkantoor van vroeger is er niet meer. Van dit oude gebouw had men een schitterende horecagelegenheid met bijvoorbeeld een VVV winkel kunnen maken. Het is helaas heel anders gelopen. Gelukkig hebben we de foto’s van vroeger nog.
 
Terug

De eerste brandweerauto van Heerde.
In het jaar 1924 is in het dorp Heerde de vrijwillige brandweer opgericht. Tegelijkertijd kwam daar de eerste brandweerauto ten behoeve van dit corps beschikbaar. Het was een automotorspuit van het merk Ford, type “T”, en voorzien van een 20 pk. benzinemotor. De topsnelheid van dit voertuig bedroeg 40 km. per uur. De auto had een open cabine. De opbouw van het brandweergedeelte zoals spuiten, slangen, pomp en toebehoren werd verzorgd door de N.V. machinefabriek Ter Borg en Mensinga uit Appingedam. De pompcapaciteit van de brandspuit bedroeg 800 liter water per minuut, hetgeen voor die tijd uitzonderlijk hoog was. De auto was voorzien van Michelin coblé banden die op de gestuurde vooras waren gemonteerd. Deze banden waren toen al gevuld met lucht. Op de achteras waren massieve banden van rubber gemonteerd van het merk “Overman” type cushion banden. De totale aanschafprijs van het geheel bedroeg 5428,80 gulden! In 1936 wordt deze brandweerwagen vervangen voor een nieuw voertuig van het merk Ford, type V8, met een brandweeropbouw van de firma Van der Ploeg uit Apeldoorn. De oude motorspuit werd daarna verkocht aan J.A. van Rijssen uit Vaassen voor een verkoopprijs van 125 gulden. Aldus de feiten die in het boekje “Brand meester” worden weergegeven, een uitgave van de Historische Vereniging Heerde. Maar een foto van de eerste brandweerwagen is nergens te vinden. Jannes van Rijssen heeft de T- Ford omgebouwd tot een volwaardige vrachtwagen.
 Nadat het voertuig ontdaan was van alle brandweerattributen, werd er bij Toon Labberton, een kolenboer uit Vaassen, een gesloten cabine gekocht en op de auto gebouwd. Op het kale chassis werd een vlakke laadbak gebouwd met opstaande neerklapbare hekken. Vermoedelijk gemaakt door wagenmaker G. Heering uit Vaassen. De afgedankte brandweerauto van Heerde heeft daarna nog jaren goede diensten geleverd en zijn werk gedaan als “lastdier” in dienst van de machinefabriek van J.A. van Rijssen.  brandweer-heerde-web  Op een foto van het voertuig is Jannes van Rijssen te zien als eigenaar van de auto. De vrachtwagen is geladen met een freesbank, bestemd voor zijn eigen machinefabriek “Rijva”. De foto is genomen aan de Deventerstraat te Vaassen, tegenover de schuren die vroeger bij café de Valk hoorden. Deze schuren had van Rijssen in gebruik als opslagruimten van materialen voor zijn machinefabriek.  Op de achtergrond op de foto zien we het winkelhuis met de winkel van kruidenier Schulte. Nu is het winkelpand van J. Huis in ’t Veld.   brandweer-heerde1-web
Op de andere foto zien we de cabine liggend op de grond voor de hooiberg van Labberton, geduldig wachtend op een toekomstige koper. En die is er gekomen!
Terug

Het Boegbeeld van kasteel de Cannenburgh
In 1543 verwierf Marten van Rossem de Cannenburch in Vaassen van de hertogelijke jagermeester Zeger van Arnhem, nadat hij al in 1541 van Dirk van Keppel de omliggende gronden had gekocht. Het kasteel zelf was in 1535 door Dirk aan de toenmalige hertog Karel van Gelre overgedragen in ruil tegen de Cloese bij Lochem. Na het overlijden van de hertog in 1538 dragen de executeurs het huis over aan Steven van Ruytenborch en deze verkoopt het in 1540 aan Zeger van Arnhem. Bij die gelegenheid wordt het omschreven als “de poll genant Kannenborch”, waarbij het woord poll uitgelegd mag worden als plaats waar een huis of een kasteel gestaan heeft. Met poll wordt ook wel eens een eiland bedoeld. Een deel was toen van het gebouw geschikt voor bewoning en met name het westelijke deel was in zeer slechte staat en op een oud schilderij lijkt dit deel wel een ruïne. De oudste vermelding van het kasteel dateert van 1365. In die periode tot 1535 is het achtereenvolgens in handen van de door huwelijken gerelateerde geslachten Van Steenbergen, Van Herwen en Van Keppel als leen van de hertog Karel van Gelre. Van Rossem kocht slechts de restanten van een oud gebouw. Een deel van het huidige kasteel  en met name de kelders zijn dus van voor 1543. De bekroning van de voortoren en de beeltenis van Marten van Rossem bovenin de toren dateren waarschijnlijk van kort na 1563. De bekroning bestond uit een spits met een uivormige bol welke omsloten werd door een drietal gemetselde muurtoppen of punten. Deze oorspronkelijke bekroning, waarmee de Cannenburch altijd zo herkenbaar is geweest, werd in 1820 zeer ernstig beschadigd door een blikseminslag waarbij een beginnende brand ontstond. Gelukkig kon het kasteel toen behouden worden maar de toren had wel schade geleden. De uivormige bol bovenop de toren was compleet vernield. De schade aan het dak werd op een goedkope en slordige manier hersteld. Na de reparatie van het dak van de toren werd daar bovenop een eenvoudige houten koepel geplaatst naar een ontwerp van een zekere E. Bouwhuys. In opdracht van de toenmalige kasteeleigenaar en bewoner Frederik van Isendoorn à Blois werd deze koepel op de voortoren geplaatst door de plaatselijke aannemer Hendrik Toewater voor een bedrag van 225 gulden. In 1893 werd door de toenmalige eigenaar van de Cannenburch Dirk baron van Lynden de foeilelijke houten koepel afgebroken. De toren kreeg toen een plat dak omgeven door een borstwering met kantelen. In 1906 werd mevrouw Frida Cleve-Mollard eigenaresse van het kasteel. Haar echtgenoot Richard Cleve heeft kort na de aankoop de bekroning van de voortoren weer in de oorspronkelijke staat geprobeerd terug te brengen. De sleuven in de kantelen werden opgevuld en er werden drie nieuwe gemetselde toppen daar bovenop geplaatst. Deze restauratie werd toen niet erg vakkundig uitgevoerd. In het midden op het dak werd een achtkantige uivormige spits geplaatst Dus niet zoals het oorspronkelijke in de 16e eeuw gebouwd was als twee elkaar kruisende daken tussen de muurtoppen waaruit de spits logisch uit voortkwam. Het waren nu allemaal losse elementen naast elkaar geplaatst zonder enige samenhang. Erg solide was dit hoog verheven bouwwerk niet. Dit weinig stabiele geheel is achteraf een halve eeuw blijven staan. Rond 1950 werden de drie toppen of muurpunten afgebroken wegens instortingsgevaar. De bovenkant van de torenmuur werd weer voorzien van een borstwering met sleufvormige openingen. In 1963 werd wegens bouwvalligheid de uivormige bol verwijderd. De voortoren werd tijdelijk voorzien van een plat dak. In 1979 werd tijdens de grote restauratie een compleet nieuwe bekroning op de voortoren geplaatst. Het bolvormige ui met de drie toppen is toen op grond van oude oorspronkelijke tekeningen daarna volledig gereconstrueerd. De toren werd exact teruggebracht naar de situatie van voor 1820. De bekroning van de voortoren ziet er nu net zo uit dan vier en een halve eeuw geleden, met nog altijd de beeltenis van Marten van Rossem als boegbeeld in de voortoren. Maar uiteindelijk maakt het uivormige dak op de voortoren dit kasteel zo uniek en herkenbaar.    De Cannenburch in 1645, naar een schilderij hangend in de bovenzaal van het kasteel. Dit is de vroegst bekende afbeelding van het kasteel. Het is een kwartierstaat (stamboom) van Elbert van Isendoorn à Blois en zijn eerste vrouw Maria Hadewig van Essen die toen de Cannenburch bewoonden.
cannenburgh0009  Een tekening van de Cannenburch uit 1730 van Cornelis Pronk.  De toegangsbrug lag toen recht voor de voortoren.

cannenburgh0011

Een tekening van de Cannenburch van na 1820 met het lelijke koepeltje.

cannenburgh0012   Een tekening van het koepetje uit 1820.

cannenburgh0013 Een foto uit 1903 van de Amsterdamse fotograaf August Vogt.

cannenburgh0014

Nog een foto van August Vogt uit 1903.

cannenburgh0015

Een foto uit de tijd van Cleve rond 1920.

cannenburgh0016  
Een foto van voor 1950, het kasteel gezien vanuit de zuidoosthoek.

cannenburgh0017

Een foto kort na 1950 zonder de puntvormige muurtjes maar met het ui.

cannenburgh0018

cannenburgh0019  Twee foto’s van na 1963. Door bouwvalligheid werd het ui ook afgebroken.
In 1979 werd de toren weer hersteld naar de situatie van  voor 1820                                   Freek Bomhof.
Terug

Rijwielbelastingplaatje.
Begin vorige eeuw kwam de fiets sterk in opkomst. Het was het vervoermiddel dat voor iedereen betaalbaar werd en tevens was het een goedkope manier om zichzelf te verplaatsen. Ook de regering zag er brood in. Op 1 augustus 1924 werd op voorstel van minister Hendrik Colijn de rijwielbelastingwet ingevoerd. De staat had weer eens geld nodig De belasting hield in dat men jaarlijks voor 3 gulden een fietsplaatje kon kopen op het postkantoor en dit plaatje moest duidelijk zichtbaar aan of bij het stuur bevestigd zijn. Zonder belastingplaatje was fietsen op de openbare weg verboden. Ook rijwielen met hulpmotor moesten een belastingplaatje hebben. fietsplaatje2
Vrijgesteld waren kinderfietsjes en fietsen van gehandicapten. Ook het leger, de PTT, de politie en diplomaten waren vrijgesteld. Wel was toegestaan om zonder fietsplaatje met een fiets aan de hand te lopen. Als het plaatje niet op de juiste plaats bevestigd was, kon men beboet worden en de boete kon oplopen tot wel 25 gulden. De fietsplaatjes waren gemaakt van messing. Het was de meest gehate belasting uit die tijd. Er was veel protest tegen de invoering van deze gehate belasting. De ANWB protesteerde regelmatig met teksten zoals “schuifelende voeten geven meet slijtage aan den weg dan rollende rubberbanden”. Men vond het ook onbillijk dat minister Colijn of Prins Hendrik evenveel fietsbelasting moesten betalen dan een arme sloeber met een tweedehands karretje. Misschien was de regering en het koningshuis ook wel stiekem vrijgesteld van fietsbelasting. Maar dit was nergens te achterhalen. In 1924 werd er al voor 1.776.749 fietsen belasting betaald en de opbrengst hiervan bedroeg 5.330.247 gulden. Fietsen zonder een rijwielplaatje kwam in de begintijd enorm veel voor, ondanks de hoge boetes die opgelegd werden. Er werd intensief gecontroleerd. Jaarlijks werden er duizenden bonnen door “de sterke arm” uitgeschreven. Bij niet betalen van de boete werd de fiets in beslag genomen. De plaatjes werden ook nagemaakt en ver onder de normale prijs verkocht. Ze werden ook vaak van de fiets gestolen. Men schatte op een gegeven moment dat de helft van alle belastingplaatjes al minstens één keer van eigenaar waren verwisseld. Tegen meerkosten kon men de eigen naam in het plaatje laten ponsen, om zo diefstal tegen te gaan. In 1927 werd deze belasting verlaagd van 3 gulden naar een rijksdaalder. Tot mei 1935 moest het plaatje op de fiets bevestigd zijn. Daarna mocht het zichtbaar op de kleding gedragen worden. In de crisisjaren kregen werklozen een gratis fietsplaatje. Wel was hierin een gat aangebracht, Men sprak er schande van dat werklozen zo te schande moesten fietsen. Iedereen kon nu duidelijk zien wie er werkloos was. fietsplaatje1
De sociale controle was toen heel groot. In 1940 waren er 3,6 miljoen belastbare fietsen en dat leverde ruim 9 miljoen gulden aan belastingcenten op. En er waren 442.713 kosteloze plaatjes met een gat voor de werkloze arbeiders. Na de Duitse inval in mei 1940 veranderde in opdracht van de nieuwe machthebbers het gehele belastingstelsel. De rijwielbelastingwet van 1924 werd met ingang van 1 mei 1941 vervallen verklaard. De NSB voerde voor de oorlog al propaganda om deze belasting af te schaffen. De bezetter wilde bij de bevolking in een gunstig daglicht komen te staan en dachten dat het op deze manier wel zou lukken. Ook speelde toen mee dat er een groot tekort aan koper was. Koper was nodig voor de wapenindustrie. De Duitsers hadden geen belang bij die gekke fietsplaatjes en op die jaarlijkse rijksdaalder stonden ze ook niet te wachten. Nee, zij pikten liever gewoon de hele fiets. Tussen 1924 en 1941 zijn er ruim 51 miljoen plaatjes gemaakt. De opbrengst was in totaal bijna 124 miljoen gulden. Een enorm bedrag voor die tijd. Het was ook nog een belasting die niet gebaseerd was op deugdelijke rechtsgronden. Er is nooit een belasting geweest in Nederland waar zoveel weerstand tegen was dan de rijwielbelasting. Jaren later na de afschaffing van het fietsplaatje werd er door de mensen nog veel over gesproken. Natuurlijk werden hierover ook de nodige sterke verhalen verteld.
Terug